Darmkanker is in Vlaanderen de tweede meest voorkomende kanker bij vrouwen, en de derde meest voorkomende kanker bij mannen. Jaarlijks sterven ongeveer 1.800 Vlamingen aan deze ziekte, en krijgen meer dan 4.200 personen te horen dat ze deze vorm van kanker hebben. De kansen op genezing van darmkanker zijn sterk afhankelijk van het stadium waarin de ziekte zich bevindt als ze wordt vastgesteld: hoe vroeger de zi ekt e gedetecteerd wordt, hoe groter de kansen op genezing. In 2008 lanceerde de Vlaamse Regering een oproep om in Vlaanderen een pilootonderzoek op te zetten om de haalbaarheid na te gaan van een bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker. Het proefonderzoek moest duidelijk maken of een Vlaams bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker mogelijk is en onder welke vorm dit best zou gebeuren.

Situering

In 2008 gaf de Vlaamse Regering de opdracht tot een pilootproject darmkankeropsporing aan de Universiteit Antwerpen, nadat zowel internationaal (door EU) als landelijk de evidentie groeide dat bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker  een verdedigbare gezondheidswinst kan opleveren.

 

Het Federaal Kenniscentrum (KCE) gaf de aanbeveling mee dat best eerst een pilootproject werd opgestart, wat door Vlaanderen ter harte werd genomen.

 

Jaarlijks overlijden 1 800 Vlamingen aan dikkedarmkanker en uit de literatuur blijkt dat een mortaliteitsreductie met 15-16% haalbaar is na uitrol van een kwalitatief screeningsprogramma (270 à 288 gevallen) .

 

Het pilootonderzoek

Het onderzoek betrof de oudere populatie van 3 sociaal-demografisch verschillende Antwerpse gemeenten: district Borgerhout, gemeente Schilde en gemeente Vosselaar en kostte 504 000 euro over 3 jaar gespreid.

Er werden twee verschillende manieren onderzocht waarop mensen uitgenodigd kunnen worden om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Ervaringen in het buitenland leren immers dat de mate waarin mensen deelnemen aan de screening, sterk kan variëren naargelang de manier waarop ze worden uitgenodigd.

Er werden ook twee verschillende onderzoeken gevoerd: het eerste onderzoek was gericht op mensen met een gemiddeld risico op darmkanker, dit is het grootste deel van de bevolking. Alle proefpersonen maakten kennis met een testkit om een stoelgangstaaltje af te nemen. Dit staal werd verstuurd voor analyse naar het labo. Wanneer men na 6 weken nog geen staal had opgestuurd, werd men opnieuw uitgenodigd. 

 

Ongeveer 20% van de bevolking heeft echter een verhoogd risico op de ontwikkeling van dikkedarmkanker, bijvoorbeeld doordat er een familiale vatbaarheid aanwezig is. De doelgroep met een verhoogd risico op dikkedarmkanker werd gecontacteerd via zogenaamde ‘signaalpatiënten’. Dit zijn mensen bij wie darmkanker werd vastgesteld, en waarbij op basis van persoonlijke en familiale eigenschappen werd gekeken of hun familieleden tot de hoog-risico-groep behoren om darmkanker te kunnen ontwikkelen. Via deze signaalpatiënten werden hun eerstegraadsverwanten uitgenodigd om zich te laten onderzoeken op de aanwezigheid van darmkanker.

 

Uit het onderzoek blijkt dat de opsporing via bevolkingsonderzoek bij doelgroep met gewoon risico (bij doelgroep 50-74 jaar zonder indicaties uit voorgeschiedenis of familie op verhoogd risico) haalbaar is, dat deze doelgroep het proces gunstig beoordeelt en dat de participatiegraad een zeer aanvaardbaar niveau bereikt (44.3%). Het direct uitnodigen via de post had meer succes dan via de huisarts (resp. 64,27% en 24,75%). Toch heeft de huisarts een cruciale rol in het sensibiliseren van personen die niet gemotiveerd zijn voor deelname. Hij ontvangt de resultaten van de screening en zal verwijzen bij positief testresultaat van de stoelgangtest voor colonoscopie. De deelname in Borgerhout lag aanzienlijk lager.

Wat het onderzoek van de doelgroep met personen met verhoogd risico en het aanspreken van eerstegraadsverwanten van personen met dikkedarmkanker via de signaalpatiënt betreft (cascadescreening) blijkt dit veel moeilijker  uitvoerbaar te zijn. De onderzoekers stellen dan ook voor om hen via de reguliere gezondheidszorg te laten benaderen.

Dit project is geen eindpunt. De Vlaamse werkgroep darmkankeropsporing, onder voorzitterschap van professor Van Cutsem, krijgt de opdracht om een advies te formuleren over hoe een bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker in Vlaanderen kan georganiseerd worden, en dit op basis van de resultaten van dit pilootproject, de Europese aanbevelingen en de in de werkgroep aanwezige expertise.

 

Dit advies en deze studie zullen voorgelegd worden aan de Vlaamse werkgroep Bevolkingsonderzoek, en op basis hiervan zal ik de Vlaamse Regering voorstellen al dan niet een beslissing te nemen over de opstart van een algemeen bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker in Vlaanderen.